A3 Diervoederindustrie

I Algemeen
Deze regeling is in de NeR opgenomen in 1996, aangepast in 1998
en gewijzigd in 2007.
Voorzover emissies in het navolgende niet uitdrukkelijk zijn verbijzonderd
gelden de algemene bepalingen van de NeR.
Achtergrondinformatie voor het tot stand komen van deze regeling
staat in de eindrapportage Herziening bijzondere regeling Diervoederbedrijven
met bijlagen. Dit rapport is opgesteld onder verantwoordelijkheid
van Nevedi en is te vinden op www.geurnormdiervoeder.nl.
II Toepassingsgebied
1. Deze regeling is van toepassing op de productie van mechanisch
verdichte diervoeders. De verdichting van het diervoeder vindt
plaats in de voorverdichter dan wel in de pers. Diervoeder bestaat
uit producten van plantaardige of dierlijke oorsprong in natuurlijke
staat, vers of verduurzaamd, afgeleide producten van de industriële
verwerking van deze producten, evenals organische of anorganische
stoffen, al dan niet gemengd, met of zonder toevoegingsmiddelen
en bestemt voor dierlijke voeding langs orale weg. De verdichting
van het diervoeder vindt plaats in de voorverdichter dan wel in
de pers.
2. Voor rundveevoeder is deze regeling alleen van toepassing
als het totale eiwitgehalte (dierlijk en plantaardig) niet hoger
is dan 22 gewichtsprocent (van de grondstoffen).
3. Deze regeling is alleen van toepassing als de hoeveelheid
dierlijk vet maximaal 5 gewichtsprocent is, en als de hoeveelheid
dierlijk eiwit maximaal 5 gewichtsprocent is, waarvan ten hoogste
3/5 deel vismeel mag zijn.
De percentages van maximaal 5% gelden vóór het persen.
Het gebruik van dierlijk vet ná het koelen wordt hierbij
niet meegerekend, omdat het geen invloed heeft op de geuremissie.
Hierdoor kan het percentage vet van het eindproduct hoger zijn
dan die 5%. Achteraf zijn beide hoeveelheden kwantificeerbaar
te traceren aan de hand van de receptuur en de gebruikte hoeveelheden
grondstoffen.
4. Deze regeling is van toepassing op bestaande en op nieuwe
situaties (zie NeR § 2.5.4).
5. Deze regeling is van toepassing als de meeltemperatuur niet
hoger is dan 90°C.
6. Deze regeling is niet van toepassing op de productie van diervoedersoorten
zoals petfood en visvoer, en niet op het louter mengen van diervoeder(grondstoffen)
zonder verdere nabewerking.
7. Cumulatie van geur wordt niet geregeld in deze Bijzondere
Regeling, omdat het slechts in een beperkt aantal gevallen voorkomt
in Nederland. De norm kan worden gebruikt als cumulatieve norm,
om van daaruit individuele normen te maken. Deze individuele normen
zijn lager dan de norm in deze Bijzondere Regeling. Het bevoegd
gezag bepaalt hoe hiermee moet worden omgegaan.
8. Ontwikkelingen in het productieproces die wellicht een wijziging
in de geuremissie tot gevolg hebben, zijn niet verwerkt in deze
Bijzondere Regeling. Wanneer in dergelijke gevallen het productieproces
te sterk van de uitgangspunten van de Bijzondere Regeling afwijkt,
moet de geurhindersituatie worden beoordeeld volgens de Hindersystematiek
Geur (zie NeR § 3.6).
III Bronnen, emissie en verspreiding
1. De geuremissie van een diervoederbedrijf wordt voor ten minste
90% bepaald door de emissie van de koelers van de persinstallatie(s)
en in beperkte mate door andere emissies.
Onder voorverdichtingsapparatuur wordt verstaan alle verdichtingsapparaten
vóór de pers waar wrijvingswarmte en eventueel stoom
wordt toegevoegd. De voorverdichtingsapparatuur is bepalend voor
de meeltemperatuur. De geur die ontstaat in voorverdichtingsapparatuur
komt ook vrij bij het koelproces.
2. De geuremissiefactoren (ouE/ton product) zijn gebaseerd op
de emissie van de koelers van de persinstallatie(s). De geuremissiefactoren
zijn afhankelijk van de diersoort waarvoor het voer is bestemd,
het eiwitgehalte en de meeltemperatuur.
Geuremissiefactoren zijn gedefinieerd voor geperste voeders voor
de volgende diersoorten:
- varkens
- pluimvee
- rundvee en overige landbouwhuisdieren*
* Voor deze voersoorten wordt de geuremissiefactor van rundvee
aangehouden,
mits dit maximaal 10% van de totaalproductie van rundveevoer is.
Toelichting:
Definitie landbouwhuisdieren (Regeling Diervoeders, Staatscourant
nr. 193, 7 okt. 2004):
dieren behorend tot de soorten die gewoonlijk door de mens worden
gevoederd en gehouden, en die worden gegeten dan wel waarvan de
producten worden geconsumeerd of een andere bestemming hebben.
3. De geuremissie van diervoederbedrijven wordt berekend met
behulp van een rekenprogramma. Dit programma staat op www.geurnormdiervoeder.nl.
De jaarlijkse geuremissie (ouE /jaar) wordt berekend door per
type voer de berekende geuremissiefactoren (ouE /ton) te vermenigvuldigen
met de jaarproductie (ton/jaar). De geuremissie per uur (ouE /uur)
volgt dan uit de jaarlijkse geuremissie en de bedrijfsduur (uur/jaar).
4. Op basis van de geuremissie wordt de geurbelasting (geurimmissie)
in de omgeving berekend met het NNM en uitgedrukt in ouE/m3 als
percentielwaarde. Het NNM is het Nieuw Nationaal Model voor berekenen
van verspreiding van luchtverontreiniging (zie NeR § 3.6).
Deze berekende geurbelasting wordt vervolgens getoetst aan de
normering die geldt voor de geurgevoelige objecten.
IV Hinderniveau (zie NeR § 3.6)
1. Voor bestaande situaties geldt een acceptabel hinderniveau
van 1,4 ouE/m3 als 98-percentiel. In een bestaande situatie mag
de geurbelasting bij geurgevoelige objecten deze waarde niet overschrijden
2. Voor nieuwe situaties geldt een het acceptabel hinderniveau
van 0,7 ouE/m3 als 98-percentiel. In een nieuwe situatie mag de
geurbelasting bij geurgevoelige objecten deze waarde niet overschrijden.
Voor minder geurgevoelige objecten kan op grond van lokale overwegingen
door het bevoegd gezag een aangepast beschermingsniveau worden
gekozen.
Toelichting:
Op basis van de lokale situatie kan worden besloten welke geurbelasting
acceptabel wordt geacht voor minder gevoelige objecten (zie NeR
§ 2.9.2) tot een maximum van 1,4 ouE/m3 als 95-percentiel.
Voor nieuwe situaties geldt hetzelfde, maar dan tot een maximum
van 0,7 ouE/m3 als 95-percentiel.
V BBT-maatregelen
De hieronder genoemde maatregelen vallen onder de Beste Beschikbare
technieken voor deze sector. Ze worden voor een gemiddeld bedrijf
beschouwd als kosteneffectief, omdat kosteneffectiviteit al is
meegenomen bij de BBT-afweging (zie NeR § 2.1.3).
1. Maatregelen ter beperking van geurhinder als gevolg van
emissie uit de koeler(s)
Er is een aantal maatregelen ter beperking van geurhinder als
gevolg van emissie uit een koeler beschikbaar. Afhankelijk van
de feitelijke situatie zal een keuze moeten worden gemaakt. Voor
een overzicht van maatregelen en technieken die redelijkerwijs
kunnen worden getroffen, wordt verwezen naar de toelichting. Met
het NNM kan worden berekend welke emissiereductie in een bepaalde
situatie nodig is.
Daar waar de vereiste geurimmissiereductie met schoorsteenverhoging,
technisch en planologisch, is te realiseren, is dit waarschijnlijk
de meest kosteneffectieve maatregel.
Gaswassers, alkalisch oxidatieve gaswassers, biowassers, biofilters
en koude oxidatie zijn andere kosteneffectieve maatregelen, die
als BBT-maatregel voor de diervoederindustrie worden beschouwd.
De keuze tussen deze technieken hangt onder meer af van de te
realiseren geuremissie-reductie. Hierbij kan het onderstaande
overzicht als leidraad dienen.
Toelichting:
Maatregelen ter vermindering van geuremissie uit de koelers
| Vereist geurverwijderingsrendement |
Kosteneffectieve maatregel (BBT) |
| Tot 80% |
Koude oxidatie |
| Tot 90% |
Alkalisch oxidatieve wasser |
| Meer dan 90% |
Combinatie van maatregelen |
2. Maatregelen ter beperking van geurhinder als gevolg van
diffuse emissies
Indien er geurgevoelige objecten zijn die geurhinder ondervinden
van diffuse bronnen, dan zal het bedrijf maatregelen moeten toepassen
om diffuse emissies te minimaliseren.
Hieronder staat een aantal mogelijkheden:
-
Stortputten kunnen veelal worden voorzien
van een afzuiginstallatie en een
doekfilterinstallatie voor de verwijdering van stof. De afgassen
kunnen via een
(verhoogde) schoorsteen op het dak van de stortput worden afgevoerd.
-
Bij het vullen van silos komt verdringingslucht
uit de silos vrij. Deze
verdringingslucht kan naar het productiegebouw worden geleid
en via de
onderdruk in het gebouw op grotere hoogte worden geëmitteerd.
-
De hamermolens zijn veelal voorzien van
een afzuig- en filterinstallatie. De
afgassen kunnen via een (verhoogde) schoorsteen op het dak van
het
productiegebouw worden afgevoerd.
-
Daarnaast moeten altijd good housekeeping
maatregelen ter voorkoming van
geurhinder worden genomen. Voorbeelden hiervan zijn het schoonhouden
van het
buitenterrein en het gesloten houden van ramen en deuren.
VI Gemotiveerd afwijken
In een aantal situaties kan het voorkomen dat gemotiveerd van
deze Bijzondere Regeling moet worden afgeweken. Hieronder worden
twee voorbeelden van dergelijke situaties gegeven.
Toelichting:
gemotiveerd afwijken
Voorbeeld 1 heeft te maken met het uitgangspunt dat maatregelen
moeten voldoen aan beste bestaande techniek (BBT). Dit houdt onder
andere in dat te implementeren maatregelen goed gedimensioneerd
moeten zijn. Concreet betekent dit dat bij uitgangssituaties boven
de 1,4 ouE/m3 als 98 percentiel de maatregel optimaal moet worden
uitgevoerd. Dit kan leiden tot een lagere geurbelasting dan 1,4
ouE/m3 als 98 percentiel. Deze afwijkende geurbelasting wordt
dan in de vergunning opgenomen en moet in de considerans worden
gemotiveerd.
Voorbeeld 2 betreft een lokale situatie waar naar het oordeel
van het bevoegd gezag onacceptabele hinder optreedt (of te verwachten
is) bij een geurbelasting van 1,4 ouE/m3 als 98 percentiel. In
een dergelijk individueel geval bepaalt het bevoegd gezag in overleg
met het bedrijf de te treffen hinderbeperkende maatregelen op
basis van een individuele beoordeling van hinderreductie in relatie
tot de bedrijfseconomische gevolgen voor het bedrijf. Ook dit
moet dan in de considerans van de vergunning worden gemotiveerd.
VII Handhaving
1. De handhaving gebeurt op basis van emissies die zijn bepaald
aan de hand van de vergunde immissienorm en de daarbij behorende
bedrijfstijden, diervoedersoort, eiwitgehalte en meeltemperatuur.
2. Diervoederbedrijven dienen relevante gegevens zoals meeltemperatuur,
toegevoegde hoeveelheden vet en eiwit en dergelijke, minimaal
5 jaar te bewaren en desgevraagd ter beschikking te stellen aan
het bevoegd gezag.
VIII Meetmethodes
1. Meeltemperatuurmeting:
De meeltemperatuur wordt gemeten (na de uitloop van de stoommixer)
bij de inloop van de eerste verdichtingsstap. Dit kan zijn een
voorverdichter, een bovenpers of de pers.
2. Meetmethode voor eiwitbepaling:
Het gehalte aan ruw eiwit in diervoeder is te bepalen op basis
van het stikstofgehalte, bepaald volgens de Kjeldahl-methode.
(Richtlijn nr 93/28/EEG van de Commissie van 4 juni 1993 tot wijziging
van bijlage I bij de derde Richtlijn 72/199/EEG van de Commissie
betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden
voor de officiële controle van diervoeders. Publicatieblad
van de EG 22-7-1993; Nr L 179/8-10)
IX Evaluatie
De Bijzondere Regeling Diervoederindustrie wordt in beginsel
iedere vijf jaar geëvalueerd. De evaluatie bestaat in elk
geval uit het toetsen van recente meetresultaten aan de emissiekentallen
en verder voor zover zinvol uit het toetsen van de andere
uitgangspunten van deze Bijzondere Regeling.
Drie jaar na de inwerkingtreding van een nieuwe versie van deze
Bijzondere Regeling wordt door de branche nagegaan of er voldoende
meetresultaten van minder dan drie jaar oud zijn, of komen, om
de Regeling na vijf jaar te kunnen evalueren. De branche rapporteert
aan de Adviesgroep NeR zijn bevindingen in de vorm van een tussenevaluatie
binnen vier jaar na inwerkingtreden van deze Bijzondere regeling.